hakkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hakkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hakkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hakkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gehakkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhakkel
jijhakkelt
hijhakkelt
wijhakkelen
julliehakkelen
zijhakkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehakkeld
jijhebt gehakkeld
hijheeft gehakkeld
wijhebben gehakkeld
julliehebben gehakkeld
zijhebben gehakkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhakkelde
jijhakkelde
hijhakkelde
wijhakkelden
julliehakkelden
zijhakkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehakkeld
jijhad gehakkeld
hijhad gehakkeld
wijhadden gehakkeld
julliehadden gehakkeld
zijhadden gehakkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hakkelen
jijzult hakkelen
hijzal hakkelen
wijzullen hakkelen
julliezullen hakkelen
zijzullen hakkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehakkeld hebben
jijzult gehakkeld hebben
hijzal gehakkeld hebben
wijzullen gehakkeld hebben
julliezullen gehakkeld hebben
zijzullen gehakkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hakkelen
jijzou hakkelen
hijzou hakkelen
wijzouden hakkelen
julliezouden hakkelen
zijzouden hakkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehakkeld hebben
jijzou gehakkeld hebben
hijzou gehakkeld hebben
wijzouden gehakkeld hebben
julliezouden gehakkeld hebben
zijzouden gehakkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhakkel

Translations

  • stammer, to stutter
  • titubate, to stutter
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch hackelen. Equivalent to hakken + -elen.

    Additional Information