ausculteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ausculteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ausculteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ausculterend
Past participle - Verleden deelwoord: geausculteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikausculteer
jijausculteert
hijausculteert
wijausculteren
jullieausculteren
zijausculteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geausculteerd
jijhebt geausculteerd
hijheeft geausculteerd
wijhebben geausculteerd
julliehebben geausculteerd
zijhebben geausculteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikausculteerde
jijausculteerde
hijausculteerde
wijausculteerden
jullieausculteerden
zijausculteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geausculteerd
jijhad geausculteerd
hijhad geausculteerd
wijhadden geausculteerd
julliehadden geausculteerd
zijhadden geausculteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ausculteren
jijzult ausculteren
hijzal ausculteren
wijzullen ausculteren
julliezullen ausculteren
zijzullen ausculteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geausculteerd hebben
jijzult geausculteerd hebben
hijzal geausculteerd hebben
wijzullen geausculteerd hebben
julliezullen geausculteerd hebben
zijzullen geausculteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ausculteren
jijzou ausculteren
hijzou ausculteren
wijzouden ausculteren
julliezouden ausculteren
zijzouden ausculteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geausculteerd hebben
jijzou geausculteerd hebben
hijzou geausculteerd hebben
wijzouden geausculteerd hebben
julliezouden geausculteerd hebben
zijzouden geausculteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijausculteer

Translations

  • auscultate, to practice auscultation
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information