verkneukelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verkneukelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verkneukelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verkneukelend
Past participle - Verleden deelwoord: verkneukeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverkneukel
jijverkneukelt
hijverkneukelt
wijverkneukelen
jullieverkneukelen
zijverkneukelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verkneukeld
jijhebt verkneukeld
hijheeft verkneukeld
wijhebben verkneukeld
julliehebben verkneukeld
zijhebben verkneukeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverkneukelde
jijverkneukelde
hijverkneukelde
wijverkneukelden
jullieverkneukelden
zijverkneukelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verkneukeld
jijhad verkneukeld
hijhad verkneukeld
wijhadden verkneukeld
julliehadden verkneukeld
zijhadden verkneukeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verkneukelen
jijzult verkneukelen
hijzal verkneukelen
wijzullen verkneukelen
julliezullen verkneukelen
zijzullen verkneukelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verkneukeld hebben
jijzult verkneukeld hebben
hijzal verkneukeld hebben
wijzullen verkneukeld hebben
julliezullen verkneukeld hebben
zijzullen verkneukeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verkneukelen
jijzou verkneukelen
hijzou verkneukelen
wijzouden verkneukelen
julliezouden verkneukelen
zijzouden verkneukelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verkneukeld hebben
jijzou verkneukeld hebben
hijzou verkneukeld hebben
wijzouden verkneukeld hebben
julliezouden verkneukeld hebben
zijzouden verkneukeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverkneukel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From kneukel (“knuckle”) + ver- -en.

Additional Information