verhandelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verhandelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verhandelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verhandelend
Past participle - Verleden deelwoord: verhandeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverhandel
jijverhandelt
hijverhandelt
wijverhandelen
jullieverhandelen
zijverhandelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verhandeld
jijhebt verhandeld
hijheeft verhandeld
wijhebben verhandeld
julliehebben verhandeld
zijhebben verhandeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverhandelde
jijverhandelde
hijverhandelde
wijverhandelden
jullieverhandelden
zijverhandelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verhandeld
jijhad verhandeld
hijhad verhandeld
wijhadden verhandeld
julliehadden verhandeld
zijhadden verhandeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verhandelen
jijzult verhandelen
hijzal verhandelen
wijzullen verhandelen
julliezullen verhandelen
zijzullen verhandelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verhandeld hebben
jijzult verhandeld hebben
hijzal verhandeld hebben
wijzullen verhandeld hebben
julliezullen verhandeld hebben
zijzullen verhandeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verhandelen
jijzou verhandelen
hijzou verhandelen
wijzouden verhandelen
julliezouden verhandelen
zijzouden verhandelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verhandeld hebben
jijzou verhandeld hebben
hijzou verhandeld hebben
wijzouden verhandeld hebben
julliezouden verhandeld hebben
zijzouden verhandeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverhandel

Translations

  • tout, To flaunt, to publicize/publicise; to boast or brag; to promote
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    handelen
    handeldrijven, verkopen

    Sample Sentences

    Etymology

    From ver- + handelen.

    Additional Information