streamen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of streamen

The word "streamen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: streamen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: streamend
Past participle - Verleden deelwoord: gestreamd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstream
jijstreamt
hijstreamt
wijstreamen
julliestreamen
zijstreamen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestreamd
jijhebt gestreamd
hijheeft gestreamd
wijhebben gestreamd
julliehebben gestreamd
zijhebben gestreamd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstreamde
jijstreamde
hijstreamde
wijstreamden
julliestreamden
zijstreamden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestreamd
jijhad gestreamd
hijhad gestreamd
wijhadden gestreamd
julliehadden gestreamd
zijhadden gestreamd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal streamen
jijzult streamen
hijzal streamen
wijzullen streamen
julliezullen streamen
zijzullen streamen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestreamd hebben
jijzult gestreamd hebben
hijzal gestreamd hebben
wijzullen gestreamd hebben
julliezullen gestreamd hebben
zijzullen gestreamd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou streamen
jijzou streamen
hijzou streamen
wijzouden streamen
julliezouden streamen
zijzouden streamen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestreamd hebben
jijzou gestreamd hebben
hijzou gestreamd hebben
wijzouden gestreamd hebben
julliezouden gestreamd hebben
zijzouden gestreamd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstream

Translations

  • stream, Internet: to push continuous data
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English stream. See: English 'stream'.

    Additional Information