snoozen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snoozen

The word "snoozen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snoozen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snoozend
Past participle - Verleden deelwoord: gesnoosd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnoos
jijsnoost
hijsnoost
wijsnoozen
julliesnoozen
zijsnoozen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesnoosd
jijhebt gesnoosd
hijheeft gesnoosd
wijhebben gesnoosd
julliehebben gesnoosd
zijhebben gesnoosd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnoosde
jijsnoosde
hijsnoosde
wijsnoosden
julliesnoosden
zijsnoosden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesnoosd
jijhad gesnoosd
hijhad gesnoosd
wijhadden gesnoosd
julliehadden gesnoosd
zijhadden gesnoosd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snoozen
jijzult snoozen
hijzal snoozen
wijzullen snoozen
julliezullen snoozen
zijzullen snoozen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesnoosd hebben
jijzult gesnoosd hebben
hijzal gesnoosd hebben
wijzullen gesnoosd hebben
julliezullen gesnoosd hebben
zijzullen gesnoosd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snoozen
jijzou snoozen
hijzou snoozen
wijzouden snoozen
julliezouden snoozen
zijzouden snoozen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesnoosd hebben
jijzou gesnoosd hebben
hijzou gesnoosd hebben
wijzouden gesnoosd hebben
julliezouden gesnoosd hebben
zijzouden gesnoosd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnoos

Verbs conjugated like 'snoozen'

glanzen, grenzen, niezen, omhelzen, reizen, veinzen, verhuizen,

Verbs similar to 'snoozen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English snooze with the suffix -en. See: English 'snooze'.

Additional Information