snateren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snateren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snateren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snaterend
Past participle - Verleden deelwoord: gesnaterd

Cognates

See the 2 cognates of snateren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnater
jijsnatert
hijsnatert
wijsnateren
julliesnateren
zijsnateren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesnaterd
jijhebt gesnaterd
hijheeft gesnaterd
wijhebben gesnaterd
julliehebben gesnaterd
zijhebben gesnaterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnaterde
jijsnaterde
hijsnaterde
wijsnaterden
julliesnaterden
zijsnaterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesnaterd
jijhad gesnaterd
hijhad gesnaterd
wijhadden gesnaterd
julliehadden gesnaterd
zijhadden gesnaterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snateren
jijzult snateren
hijzal snateren
wijzullen snateren
julliezullen snateren
zijzullen snateren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesnaterd hebben
jijzult gesnaterd hebben
hijzal gesnaterd hebben
wijzullen gesnaterd hebben
julliezullen gesnaterd hebben
zijzullen gesnaterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snateren
jijzou snateren
hijzou snateren
wijzouden snateren
julliezouden snateren
zijzouden snateren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesnaterd hebben
jijzou gesnaterd hebben
hijzou gesnaterd hebben
wijzouden gesnaterd hebben
julliezouden gesnaterd hebben
zijzouden gesnaterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnater

Translations

  • cackle, to make a sharp, broken noise or cry, as a hen or goose does
  • cackle, to laugh with a sound similar to a hen's cry
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch snateren; ultimately an onomatopoeic formation with the suffix -eren. Cognate with German schnattern, Swedish snattra. See: German, old spelling 'schnattern', Swedish 'snattra'.

    Verbs referencing "snateren"

    Swedish snattra.

    Additional Information