scheen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of scheen

The word "scheen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: scheen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: scheend
Past participle - Verleden deelwoord: gesched

Cognates

See the 2 cognates of scheen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksche
jijschet
hijschet
wijscheen
julliescheen
zijscheen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesched
jijhebt gesched
hijheeft gesched
wijhebben gesched
julliehebben gesched
zijhebben gesched

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschede
jijschede
hijschede
wijscheden
julliescheden
zijscheden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesched
jijhad gesched
hijhad gesched
wijhadden gesched
julliehadden gesched
zijhadden gesched

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal scheen
jijzult scheen
hijzal scheen
wijzullen scheen
julliezullen scheen
zijzullen scheen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesched hebben
jijzult gesched hebben
hijzal gesched hebben
wijzullen gesched hebben
julliezullen gesched hebben
zijzullen gesched hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou scheen
jijzou scheen
hijzou scheen
wijzouden scheen
julliezouden scheen
zijzouden scheen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesched hebben
jijzou gesched hebben
hijzou gesched hebben
wijzouden gesched hebben
julliezouden gesched hebben
zijzouden gesched hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsche

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "scheen"

English shin.

Additional Information