pleien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pleien

The word "pleien" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pleien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pleiend
Past participle - Verleden deelwoord: gepleid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplei
jijpleit
hijpleit
wijpleien
julliepleien
zijpleien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepleid
jijhebt gepleid
hijheeft gepleid
wijhebben gepleid
julliehebben gepleid
zijhebben gepleid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpleide
jijpleide
hijpleide
wijpleiden
julliepleiden
zijpleiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepleid
jijhad gepleid
hijhad gepleid
wijhadden gepleid
julliehadden gepleid
zijhadden gepleid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pleien
jijzult pleien
hijzal pleien
wijzullen pleien
julliezullen pleien
zijzullen pleien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepleid hebben
jijzult gepleid hebben
hijzal gepleid hebben
wijzullen gepleid hebben
julliezullen gepleid hebben
zijzullen gepleid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pleien
jijzou pleien
hijzou pleien
wijzouden pleien
julliezouden pleien
zijzouden pleien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepleid hebben
jijzou gepleid hebben
hijzou gepleid hebben
wijzouden gepleid hebben
julliezouden gepleid hebben
zijzouden gepleid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplei

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "pleien"

English play.

Additional Information