ophangen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ophangen

The word "ophangen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ophangen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ophangend
Past participle - Verleden deelwoord: opgehangd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhang op
jijhangt op
hijhangt op
wijhangen op
julliehangen op
zijhangen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgehangd
jijhebt opgehangd
hijheeft opgehangd
wijhebben opgehangd
julliehebben opgehangd
zijhebben opgehangd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhangde op
jijhangde op
hijhangde op
wijhangden op
julliehangden op
zijhangden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgehangd
jijhad opgehangd
hijhad opgehangd
wijhadden opgehangd
julliehadden opgehangd
zijhadden opgehangd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ophangen
jijzult ophangen
hijzal ophangen
wijzullen ophangen
julliezullen ophangen
zijzullen ophangen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgehangd hebben
jijzult opgehangd hebben
hijzal opgehangd hebben
wijzullen opgehangd hebben
julliezullen opgehangd hebben
zijzullen opgehangd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ophangen
jijzou ophangen
hijzou ophangen
wijzouden ophangen
julliezouden ophangen
zijzouden ophangen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgehangd hebben
jijzou opgehangd hebben
hijzou opgehangd hebben
wijzouden opgehangd hebben
julliezouden opgehangd hebben
zijzouden opgehangd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhang op

Translations

  • hang, to be or remain suspended
  • hang, to cause to be suspended
  • hang, to place on a hook
  • hang, to execute by suspension from the neck
  • hang, to exhibit by hanging
  • heave, to throw
  • pelt, to throw
  • pitch, to throw
  • sling, to throw
  • suspend, to hang freely
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Hebben jullie al slingers opgehangen? (Have you hung some garlands up yet?)
    • Op dit schilderij hangen wilde dieren jachthonden op. (Wild animals are hanging hounds in this painting.)
    • Zij kreeg een van hen aan de lijn, maar toen ze haar naam zei, werd er opgehangen. (She managed to get one of them on the phone, but when she said her name they hung up.)

    Etymology

    From Middle Dutch ophangen. Equivalent to op + hangen.

    Additional Information