neulen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of neulen

The word "neulen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: neulen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: neulend
Past participle - Verleden deelwoord: geneuld

Cognates

See the 2 cognates of neulen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikneul
jijneult
hijneult
wijneulen
jullieneulen
zijneulen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geneuld
jijhebt geneuld
hijheeft geneuld
wijhebben geneuld
julliehebben geneuld
zijhebben geneuld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikneulde
jijneulde
hijneulde
wijneulden
jullieneulden
zijneulden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geneuld
jijhad geneuld
hijhad geneuld
wijhadden geneuld
julliehadden geneuld
zijhadden geneuld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal neulen
jijzult neulen
hijzal neulen
wijzullen neulen
julliezullen neulen
zijzullen neulen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geneuld hebben
jijzult geneuld hebben
hijzal geneuld hebben
wijzullen geneuld hebben
julliezullen geneuld hebben
zijzullen geneuld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou neulen
jijzou neulen
hijzou neulen
wijzouden neulen
julliezouden neulen
zijzouden neulen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geneuld hebben
jijzou geneuld hebben
hijzou geneuld hebben
wijzouden geneuld hebben
julliezouden geneuld hebben
zijzouden geneuld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijneul

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Low German nölen. Compare German nölen, Danish nøle. See: Low Saxon 'nölen', German, old spelling 'nölen', Danish 'nøle'.

Verbs referencing "neulen"

German, old spelling nölen.

Additional Information