maaien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of maaien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: maaien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: maaiend
Past participle - Verleden deelwoord: gemaaid

Cognates

See the 5 cognates of maaien

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaai
jijmaait
hijmaait
wijmaaien
julliemaaien
zijmaaien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemaaid
jijhebt gemaaid
hijheeft gemaaid
wijhebben gemaaid
julliehebben gemaaid
zijhebben gemaaid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaaide
jijmaaide
hijmaaide
wijmaaiden
julliemaaiden
zijmaaiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemaaid
jijhad gemaaid
hijhad gemaaid
wijhadden gemaaid
julliehadden gemaaid
zijhadden gemaaid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal maaien
jijzult maaien
hijzal maaien
wijzullen maaien
julliezullen maaien
zijzullen maaien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemaaid hebben
jijzult gemaaid hebben
hijzal gemaaid hebben
wijzullen gemaaid hebben
julliezullen gemaaid hebben
zijzullen gemaaid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou maaien
jijzou maaien
hijzou maaien
wijzouden maaien
julliezouden maaien
zijzouden maaien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemaaid hebben
jijzou gemaaid hebben
hijzou gemaaid hebben
wijzouden gemaaid hebben
julliezouden gemaaid hebben
zijzouden gemaaid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaai

Translations

  • mow, to cut down
  • scythe, to cut with a scythe
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afsnijden
    snijden
    oogsten
    zwaaien

    Sample Sentences

    • [...] niet verwonderen, dat ik hiermede bijkans geheel het derde jaar van mijn verblijf bezig was, want men moet bedenken, dat ik onder de hand tevens mijn nieuwen oogsten akkerbouw moest bestieren. Ik maaide mijn koorn op zijn tijd, en bragt het naar huis zoo goed ik kon, in mijne groote manden, waarin ik het in de airen liggen liet, tot ik tijd had het er uit te wrijven; want ik had geen dorschvloer, [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch mâyen, from Old Dutch *māien, from Proto-West Germanic *māan, from Proto-Germanic *mēaną. See: Proto-Germanic '*mēaną'.

    Verbs referencing "maaien"

    English mow, German, Pennsylvania maehe, Cimbrian méenan.

    Additional Information