lernen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lernen

The word "lernen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lernen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lernend
Past participle - Verleden deelwoord: gelernd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklern
jijlernt
hijlernt
wijlernen
jullielernen
zijlernen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelernd
jijhebt gelernd
hijheeft gelernd
wijhebben gelernd
julliehebben gelernd
zijhebben gelernd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklernde
jijlernde
hijlernde
wijlernden
jullielernden
zijlernden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelernd
jijhad gelernd
hijhad gelernd
wijhadden gelernd
julliehadden gelernd
zijhadden gelernd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lernen
jijzult lernen
hijzal lernen
wijzullen lernen
julliezullen lernen
zijzullen lernen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelernd hebben
jijzult gelernd hebben
hijzal gelernd hebben
wijzullen gelernd hebben
julliezullen gelernd hebben
zijzullen gelernd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lernen
jijzou lernen
hijzou lernen
wijzouden lernen
julliezouden lernen
zijzouden lernen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelernd hebben
jijzou gelernd hebben
hijzou gelernd hebben
wijzouden gelernd hebben
julliezouden gelernd hebben
zijzouden gelernd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlern

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Yiddish לערנען (lernen).

Verbs referencing "lernen"

English learn.

Additional Information