klonteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of klonteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: klonteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: klonterend
Past participle - Verleden deelwoord: geklonterd

Cognates

See the 2 cognates of klonteren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijklontert

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft geklonterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijklonterde

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad geklonterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal klonteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal geklonterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou klonteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou geklonterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

  • clot, to form into a clot
  • lump, to treat as single unit
  • curdle, to coagulate
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    coaguleren
    stollen, stremmen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch clonteren. Equivalent to klont + -eren.

    Verbs referencing "klonteren"

    English clunter.

    Additional Information