inmengen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inmengen

The word "inmengen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inmengen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inmengend
Past participle - Verleden deelwoord: ingemengd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmeng in
jijmengt in
hijmengt in
wijmengen in
julliemengen in
zijmengen in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingemengd
jijhebt ingemengd
hijheeft ingemengd
wijhebben ingemengd
julliehebben ingemengd
zijhebben ingemengd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmengde in
jijmengde in
hijmengde in
wijmengden in
julliemengden in
zijmengden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingemengd
jijhad ingemengd
hijhad ingemengd
wijhadden ingemengd
julliehadden ingemengd
zijhadden ingemengd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inmengen
jijzult inmengen
hijzal inmengen
wijzullen inmengen
julliezullen inmengen
zijzullen inmengen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingemengd hebben
jijzult ingemengd hebben
hijzal ingemengd hebben
wijzullen ingemengd hebben
julliezullen ingemengd hebben
zijzullen ingemengd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inmengen
jijzou inmengen
hijzou inmengen
wijzouden inmengen
julliezouden inmengen
zijzouden inmengen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingemengd hebben
jijzou ingemengd hebben
hijzou ingemengd hebben
wijzouden ingemengd hebben
julliezouden ingemengd hebben
zijzouden ingemengd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmeng in

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information