heien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of heien

The word "heien" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: heien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: heiend
Past participle - Verleden deelwoord: geheid

Cognates

See the 2 cognates of heien

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhei
jijheit
hijheit
wijheien
jullieheien
zijheien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geheid
jijhebt geheid
hijheeft geheid
wijhebben geheid
julliehebben geheid
zijhebben geheid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikheide
jijheide
hijheide
wijheiden
jullieheiden
zijheiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geheid
jijhad geheid
hijhad geheid
wijhadden geheid
julliehadden geheid
zijhadden geheid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal heien
jijzult heien
hijzal heien
wijzullen heien
julliezullen heien
zijzullen heien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geheid hebben
jijzult geheid hebben
hijzal geheid hebben
wijzullen geheid hebben
julliezullen geheid hebben
zijzullen geheid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou heien
jijzou heien
hijzou heien
wijzouden heien
julliezouden heien
zijzouden heien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geheid hebben
jijzou geheid hebben
hijzou geheid hebben
wijzouden geheid hebben
julliezouden geheid hebben
zijzouden geheid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhei

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch heien, of uncertain ultimate origin; perhaps related to Latin caedo (“to cut”), where the syncope of -d- would have taken place very early. If so, related to Proto-Germanic *hittijaną (“to hit, make contact with”). See: Latin 'caedo', Proto-Germanic '*hittijaną'.

Additional Information