heen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of heen

The word "heen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: heen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: heend
Past participle - Verleden deelwoord: gehed

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhe
jijhet
hijhet
wijheen
jullieheen
zijheen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehed
jijhebt gehed
hijheeft gehed
wijhebben gehed
julliehebben gehed
zijhebben gehed

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhede
jijhede
hijhede
wijheden
jullieheden
zijheden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehed
jijhad gehed
hijhad gehed
wijhadden gehed
julliehadden gehed
zijhadden gehed

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal heen
jijzult heen
hijzal heen
wijzullen heen
julliezullen heen
zijzullen heen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehed hebben
jijzult gehed hebben
hijzal gehed hebben
wijzullen gehed hebben
julliezullen gehed hebben
zijzullen gehed hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou heen
jijzou heen
hijzou heen
wijzouden heen
julliezouden heen
zijzouden heen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehed hebben
jijzou gehed hebben
hijzou gehed hebben
wijzouden gehed hebben
julliezouden gehed hebben
zijzouden gehed hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhe

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "heen"

English hence, English hone.

Additional Information