grienen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of grienen

The word "grienen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: grienen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: grienend
Past participle - Verleden deelwoord: gegriend

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgrien
jijgrient
hijgrient
wijgrienen
julliegrienen
zijgrienen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegriend
jijhebt gegriend
hijheeft gegriend
wijhebben gegriend
julliehebben gegriend
zijhebben gegriend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgriende
jijgriende
hijgriende
wijgrienden
julliegrienden
zijgrienden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegriend
jijhad gegriend
hijhad gegriend
wijhadden gegriend
julliehadden gegriend
zijhadden gegriend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal grienen
jijzult grienen
hijzal grienen
wijzullen grienen
julliezullen grienen
zijzullen grienen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegriend hebben
jijzult gegriend hebben
hijzal gegriend hebben
wijzullen gegriend hebben
julliezullen gegriend hebben
zijzullen gegriend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou grienen
jijzou grienen
hijzou grienen
wijzouden grienen
julliezouden grienen
zijzouden grienen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegriend hebben
jijzou gegriend hebben
hijzou gegriend hebben
wijzouden gegriend hebben
julliezouden gegriend hebben
zijzouden gegriend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgrien

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle Low German grînen, from Old Saxon *grīnan, from Proto-West Germanic *grīnan (“to snarl”). Doublet of grijnen.

Additional Information