finishen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of finishen

The word "finishen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: finishen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: finishend
Past participle - Verleden deelwoord: gefinishd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfinish
jijfinisht
hijfinisht
wijfinishen
julliefinishen
zijfinishen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefinishd
jijhebt gefinishd
hijheeft gefinishd
wijhebben gefinishd
julliehebben gefinishd
zijhebben gefinishd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfinishde
jijfinishde
hijfinishde
wijfinishden
julliefinishden
zijfinishden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefinishd
jijhad gefinishd
hijhad gefinishd
wijhadden gefinishd
julliehadden gefinishd
zijhadden gefinishd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal finishen
jijzult finishen
hijzal finishen
wijzullen finishen
julliezullen finishen
zijzullen finishen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefinishd hebben
jijzult gefinishd hebben
hijzal gefinishd hebben
wijzullen gefinishd hebben
julliezullen gefinishd hebben
zijzullen gefinishd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou finishen
jijzou finishen
hijzou finishen
wijzouden finishen
julliezouden finishen
zijzouden finishen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefinishd hebben
jijzou gefinishd hebben
hijzou gefinishd hebben
wijzouden gefinishd hebben
julliezouden gefinishd hebben
zijzouden gefinishd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfinish

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English finish. See: English 'finish'.

Additional Information