bowlen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bowlen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bowlen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bowlend
Past participle - Verleden deelwoord: gebowld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbowl
jijbowlt
hijbowlt
wijbowlen
julliebowlen
zijbowlen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebowld
jijhebt gebowld
hijheeft gebowld
wijhebben gebowld
julliehebben gebowld
zijhebben gebowld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbowlde
jijbowlde
hijbowlde
wijbowlden
julliebowlden
zijbowlden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebowld
jijhad gebowld
hijhad gebowld
wijhadden gebowld
julliehadden gebowld
zijhadden gebowld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bowlen
jijzult bowlen
hijzal bowlen
wijzullen bowlen
julliezullen bowlen
zijzullen bowlen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebowld hebben
jijzult gebowld hebben
hijzal gebowld hebben
wijzullen gebowld hebben
julliezullen gebowld hebben
zijzullen gebowld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bowlen
jijzou bowlen
hijzou bowlen
wijzouden bowlen
julliezouden bowlen
zijzouden bowlen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebowld hebben
jijzou gebowld hebben
hijzou gebowld hebben
wijzouden gebowld hebben
julliezouden gebowld hebben
zijzouden gebowld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbowl

Translations

  • bowl, roll or throw (a ball)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English bowl. See: English 'bowl'.

    Additional Information