boenen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of boenen

The word "boenen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: boenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: boenend
Past participle - Verleden deelwoord: geboend

Cognates

See the 2 cognates of boenen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikboen
jijboent
hijboent
wijboenen
jullieboenen
zijboenen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geboend
jijhebt geboend
hijheeft geboend
wijhebben geboend
julliehebben geboend
zijhebben geboend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboende
jijboende
hijboende
wijboenden
jullieboenden
zijboenden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geboend
jijhad geboend
hijhad geboend
wijhadden geboend
julliehadden geboend
zijhadden geboend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal boenen
jijzult boenen
hijzal boenen
wijzullen boenen
julliezullen boenen
zijzullen boenen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geboend hebben
jijzult geboend hebben
hijzal geboend hebben
wijzullen geboend hebben
julliezullen geboend hebben
zijzullen geboend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou boenen
jijzou boenen
hijzou boenen
wijzouden boenen
julliezouden boenen
zijzouden boenen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geboend hebben
jijzou geboend hebben
hijzou geboend hebben
wijzouden geboend hebben
julliezouden geboend hebben
zijzouden geboend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijboen

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch boenen, from Old Dutch *bōnon, *bōnen, from Proto-West Germanic *bōnōn, *bōnijan (“to polish”). See: Old Dutch '*bōnon'.

Verbs referencing "boenen"

Swedish bona, German, old spelling bohnern.

Additional Information