beugen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beugen

The word "beugen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beugen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beugend
Past participle - Verleden deelwoord: beugd

Cognates

See the 2 cognates of beugen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeug
jijbeugt
hijbeugt
wijbeugen
julliebeugen
zijbeugen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beugd
jijhebt beugd
hijheeft beugd
wijhebben beugd
julliehebben beugd
zijhebben beugd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeugde
jijbeugde
hijbeugde
wijbeugden
julliebeugden
zijbeugden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beugd
jijhad beugd
hijhad beugd
wijhadden beugd
julliehadden beugd
zijhadden beugd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beugen
jijzult beugen
hijzal beugen
wijzullen beugen
julliezullen beugen
zijzullen beugen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beugd hebben
jijzult beugd hebben
hijzal beugd hebben
wijzullen beugd hebben
julliezullen beugd hebben
zijzullen beugd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beugen
jijzou beugen
hijzou beugen
wijzouden beugen
julliezouden beugen
zijzouden beugen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beugd hebben
jijzou beugd hebben
hijzou beugd hebben
wijzouden beugd hebben
julliezouden beugd hebben
zijzouden beugd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeug

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From beug + -en.

Verbs referencing "beugen"

English buy.

Additional Information