beleenen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beleenen

The word "beleenen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beleenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beleenend
Past participle - Verleden deelwoord: beleend

Cognates

See the 4 cognates of beleenen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeleen
jijbeleent
hijbeleent
wijbeleenen
julliebeleenen
zijbeleenen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beleend
jijhebt beleend
hijheeft beleend
wijhebben beleend
julliehebben beleend
zijhebben beleend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeleende
jijbeleende
hijbeleende
wijbeleenden
julliebeleenden
zijbeleenden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beleend
jijhad beleend
hijhad beleend
wijhadden beleend
julliehadden beleend
zijhadden beleend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beleenen
jijzult beleenen
hijzal beleenen
wijzullen beleenen
julliezullen beleenen
zijzullen beleenen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beleend hebben
jijzult beleend hebben
hijzal beleend hebben
wijzullen beleend hebben
julliezullen beleend hebben
zijzullen beleend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beleenen
jijzou beleenen
hijzou beleenen
wijzouden beleenen
julliezouden beleenen
zijzouden beleenen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beleend hebben
jijzou beleend hebben
hijzou beleend hebben
wijzouden beleend hebben
julliezouden beleend hebben
zijzouden beleend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeleen

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "beleenen"

Swedish belåna.

Additional Information