aflezen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aflezen

The word "aflezen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aflezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aflezend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeleesd

Cognates

See the 3 cognates of aflezen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklees af
jijleest af
hijleest af
wijlezen af
jullielezen af
zijlezen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeleesd
jijhebt afgeleesd
hijheeft afgeleesd
wijhebben afgeleesd
julliehebben afgeleesd
zijhebben afgeleesd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleesde af
jijleesde af
hijleesde af
wijleesden af
jullieleesden af
zijleesden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeleesd
jijhad afgeleesd
hijhad afgeleesd
wijhadden afgeleesd
julliehadden afgeleesd
zijhadden afgeleesd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aflezen
jijzult aflezen
hijzal aflezen
wijzullen aflezen
julliezullen aflezen
zijzullen aflezen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeleesd hebben
jijzult afgeleesd hebben
hijzal afgeleesd hebben
wijzullen afgeleesd hebben
julliezullen afgeleesd hebben
zijzullen afgeleesd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aflezen
jijzou aflezen
hijzou aflezen
wijzouden aflezen
julliezouden aflezen
zijzouden aflezen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeleesd hebben
jijzou afgeleesd hebben
hijzou afgeleesd hebben
wijzouden afgeleesd hebben
julliezouden afgeleesd hebben
zijzouden afgeleesd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlees af

Verbs conjugated like 'aflezen'

blozen, grazen, liefkozen, verbazen, vrezen,

Verbs similar to 'aflezen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hij kon de temperatuur op het display van de thermometer aflezen. (He could read off the temperature from the display of the thermometer.)
  • Om de juiste dosering te bepalen, moet je de maatbeker goed aflezen. (To determine the correct dosage, you need to read the measuring cup carefully.)
  • De meetapparatuur werd gebruikt om nauwkeurig de spanning te aflezen. (The measuring equipment was used to accurately read off the voltage.)
  • De cijfers waren duidelijk te aflezen van het scherm van de weegschaal. (The numbers were clearly read off from the screen of the scale.)

Etymology

From af + lezen.

Verbs referencing "aflezen"

Swedish avläsa.

Additional Information