zeuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zeuren

The word "zeuren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zeuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zeurend
Past participle - Verleden deelwoord: gezeurd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzeur
jijzeurt
hijzeurt
wijzeuren
julliezeuren
zijzeuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezeurd
jijhebt gezeurd
hijheeft gezeurd
wijhebben gezeurd
julliehebben gezeurd
zijhebben gezeurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzeurde
jijzeurde
hijzeurde
wijzeurden
julliezeurden
zijzeurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezeurd
jijhad gezeurd
hijhad gezeurd
wijhadden gezeurd
julliehadden gezeurd
zijhadden gezeurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zeuren
jijzult zeuren
hijzal zeuren
wijzullen zeuren
julliezullen zeuren
zijzullen zeuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezeurd hebben
jijzult gezeurd hebben
hijzal gezeurd hebben
wijzullen gezeurd hebben
julliezullen gezeurd hebben
zijzullen gezeurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zeuren
jijzou zeuren
hijzou zeuren
wijzouden zeuren
julliezouden zeuren
zijzouden zeuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezeurd hebben
jijzou gezeurd hebben
hijzou gezeurd hebben
wijzouden gezeurd hebben
julliezouden gezeurd hebben
zijzouden gezeurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzeur

Translations

  • bellyache, To complain or whine, especially needlessly
  • nag, complain about insignificant matters
  • whine, to complain or protest with a whine or as if with a whine
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Uncertain. Perhaps related to Dutch sudderen (“to simmer”) and German sudern, or to Middle Dutch sōren (“to sour, become acidic”). See: Dutch 'sudderen', German, old spelling 'sudern'.

    Additional Information