zengen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zengen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zengen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zengend
Past participle - Verleden deelwoord: gezengd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzeng
jijzengt
hijzengt
wijzengen
julliezengen
zijzengen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezengd
jijhebt gezengd
hijheeft gezengd
wijhebben gezengd
julliehebben gezengd
zijhebben gezengd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzengde
jijzengde
hijzengde
wijzengden
julliezengden
zijzengden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezengd
jijhad gezengd
hijhad gezengd
wijhadden gezengd
julliehadden gezengd
zijhadden gezengd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zengen
jijzult zengen
hijzal zengen
wijzullen zengen
julliezullen zengen
zijzullen zengen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezengd hebben
jijzult gezengd hebben
hijzal gezengd hebben
wijzullen gezengd hebben
julliezullen gezengd hebben
zijzullen gezengd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zengen
jijzou zengen
hijzou zengen
wijzouden zengen
julliezouden zengen
zijzouden zengen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezengd hebben
jijzou gezengd hebben
hijzou gezengd hebben
wijzouden gezengd hebben
julliezouden gezengd hebben
zijzouden gezengd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzeng

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

branden
afbranden, blakeren, roosteren, schroeien, verzengen
roosteren
verschroeien
schroeien
blakeren, branden
verbranden
blakeren, schroeien

Sample Sentences

  • [...] te leggen. Hij deed dit en was naauwelijks weg, of de wolven kwamen opzetten en sommigen er opspringen, toen ik eene pistool op het kruid losbrandde, en dat ontstak. Die op den stam waren, vielen gezengd neder, verscheidene sprongen tot midden onder ons. Deze werden dadelijk afgemaakt en de overigen waren zoo verschrikt van het vuur, dat zij een weinig terugtrokken. Hierop gelastte ik al onze [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch sengen, from Old Dutch *sengen, from Proto-West Germanic *sangijan.

Verbs referencing "zengen"

English singe.

Additional Information