wisselen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wisselen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wisselen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wisselend
Past participle - Verleden deelwoord: gewisseld

Cognates

See the 4 cognates of wisselen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwissel
jijwisselt
hijwisselt
wijwisselen
julliewisselen
zijwisselen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewisseld
jijhebt gewisseld
hijheeft gewisseld
wijhebben gewisseld
julliehebben gewisseld
zijhebben gewisseld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwisselde
jijwisselde
hijwisselde
wijwisselden
julliewisselden
zijwisselden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewisseld
jijhad gewisseld
hijhad gewisseld
wijhadden gewisseld
julliehadden gewisseld
zijhadden gewisseld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wisselen
jijzult wisselen
hijzal wisselen
wijzullen wisselen
julliezullen wisselen
zijzullen wisselen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewisseld hebben
jijzult gewisseld hebben
hijzal gewisseld hebben
wijzullen gewisseld hebben
julliezullen gewisseld hebben
zijzullen gewisseld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wisselen
jijzou wisselen
hijzou wisselen
wijzouden wisselen
julliezouden wisselen
zijzouden wisselen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewisseld hebben
jijzou gewisseld hebben
hijzou gewisseld hebben
wijzouden gewisseld hebben
julliezouden gewisseld hebben
zijzouden gewisseld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwissel

Translations

  • swap, exchange or give (something) in exchange for
  • segue, to move smoothly from one topic to another
  • exchange, To replace with a similar item
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    omwisselen
    ruilen
    afwisselen
    variëren, veranderen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch wisselen, from Old Dutch *wissalon, from Proto-Germanic *wihslōną. Equivalent to wissel + -en. See: Old Dutch '*wissalon', Proto-Germanic '*wihslōną'.

    Verbs referencing "wisselen"

    German, old spelling wechseln, English wrixle, Luxembourgish wiesselen.

    Additional Information