warrelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of warrelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: warrelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: warrelend
Past participle - Verleden deelwoord: gewarreld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwarrel
jijwarrelt
hijwarrelt
wijwarrelen
julliewarrelen
zijwarrelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewarreld
jijhebt gewarreld
hijheeft gewarreld
wijhebben gewarreld
julliehebben gewarreld
zijhebben gewarreld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwarrelde
jijwarrelde
hijwarrelde
wijwarrelden
julliewarrelden
zijwarrelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewarreld
jijhad gewarreld
hijhad gewarreld
wijhadden gewarreld
julliehadden gewarreld
zijhadden gewarreld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal warrelen
jijzult warrelen
hijzal warrelen
wijzullen warrelen
julliezullen warrelen
zijzullen warrelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewarreld hebben
jijzult gewarreld hebben
hijzal gewarreld hebben
wijzullen gewarreld hebben
julliezullen gewarreld hebben
zijzullen gewarreld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou warrelen
jijzou warrelen
hijzou warrelen
wijzouden warrelen
julliezouden warrelen
zijzouden warrelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewarreld hebben
jijzou gewarreld hebben
hijzou gewarreld hebben
wijzouden gewarreld hebben
julliezouden gewarreld hebben
zijzouden gewarreld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwarrel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information