wankelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wankelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wankelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wankelend
Past participle - Verleden deelwoord: gewankeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwankel
jijwankelt
hijwankelt
wijwankelen
julliewankelen
zijwankelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewankeld
jijhebt gewankeld
hijheeft gewankeld
wijhebben gewankeld
julliehebben gewankeld
zijhebben gewankeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwankelde
jijwankelde
hijwankelde
wijwankelden
julliewankelden
zijwankelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewankeld
jijhad gewankeld
hijhad gewankeld
wijhadden gewankeld
julliehadden gewankeld
zijhadden gewankeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wankelen
jijzult wankelen
hijzal wankelen
wijzullen wankelen
julliezullen wankelen
zijzullen wankelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewankeld hebben
jijzult gewankeld hebben
hijzal gewankeld hebben
wijzullen gewankeld hebben
julliezullen gewankeld hebben
zijzullen gewankeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wankelen
jijzou wankelen
hijzou wankelen
wijzouden wankelen
julliezouden wankelen
zijzouden wankelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewankeld hebben
jijzou gewankeld hebben
hijzou gewankeld hebben
wijzouden gewankeld hebben
julliezouden gewankeld hebben
zijzouden gewankeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwankel

Translations

  • falter, To waver or be unsteady
  • stagger, to walk in an awkward, drunken fashion
  • teeter, tilt back and forth on an edge
  • vacillate, to sway unsteadily from one side to the other
  • waver, to falter; become unsteady; begin to fail or give way
  • wobble, move with an uneven or rocking motion
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    strompelen
    waggelen

    Sample Sentences

    • Terwijl ik op weg was, kwamen mijne vroegere bezwaren bij mij op en mijn besluit begon te wankelen. Ik wil niet zeggen, dat ik eenige vrees voor hun aantal voedde; want daar zij naakt en ongewapend waren, was ik gewis de overhand te hebben, al ware ik geheel alleen geweest. Maar ik bedacht welke [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From wankel + -en; also potentially a frequentative in -elen from Middle Dutch wanken.

    Additional Information