voorliegen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voorliegen

The word "voorliegen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voorliegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorliegend
Past participle - Verleden deelwoord: voorgeliegd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklieg voor
jijliegt voor
hijliegt voor
wijliegen voor
jullieliegen voor
zijliegen voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorgeliegd
jijhebt voorgeliegd
hijheeft voorgeliegd
wijhebben voorgeliegd
julliehebben voorgeliegd
zijhebben voorgeliegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikliegde voor
jijliegde voor
hijliegde voor
wijliegden voor
jullieliegden voor
zijliegden voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorgeliegd
jijhad voorgeliegd
hijhad voorgeliegd
wijhadden voorgeliegd
julliehadden voorgeliegd
zijhadden voorgeliegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voorliegen
jijzult voorliegen
hijzal voorliegen
wijzullen voorliegen
julliezullen voorliegen
zijzullen voorliegen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorgeliegd hebben
jijzult voorgeliegd hebben
hijzal voorgeliegd hebben
wijzullen voorgeliegd hebben
julliezullen voorgeliegd hebben
zijzullen voorgeliegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voorliegen
jijzou voorliegen
hijzou voorliegen
wijzouden voorliegen
julliezouden voorliegen
zijzouden voorliegen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorgeliegd hebben
jijzou voorgeliegd hebben
hijzou voorgeliegd hebben
wijzouden voorgeliegd hebben
julliezouden voorgeliegd hebben
zijzouden voorgeliegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlieg voor

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From voor + liegen.

Additional Information