vogelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vogelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vogelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vogelend
Past participle - Verleden deelwoord: gevogeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvogel
jijvogelt
hijvogelt
wijvogelen
jullievogelen
zijvogelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevogeld
jijhebt gevogeld
hijheeft gevogeld
wijhebben gevogeld
julliehebben gevogeld
zijhebben gevogeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvogelde
jijvogelde
hijvogelde
wijvogelden
jullievogelden
zijvogelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevogeld
jijhad gevogeld
hijhad gevogeld
wijhadden gevogeld
julliehadden gevogeld
zijhadden gevogeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vogelen
jijzult vogelen
hijzal vogelen
wijzullen vogelen
julliezullen vogelen
zijzullen vogelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevogeld hebben
jijzult gevogeld hebben
hijzal gevogeld hebben
wijzullen gevogeld hebben
julliezullen gevogeld hebben
zijzullen gevogeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vogelen
jijzou vogelen
hijzou vogelen
wijzouden vogelen
julliezouden vogelen
zijzouden vogelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevogeld hebben
jijzou gevogeld hebben
hijzou gevogeld hebben
wijzouden gevogeld hebben
julliezouden gevogeld hebben
zijzouden gevogeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvogel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From vogel + -en.

Additional Information