verzilveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verzilveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verzilveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verzilverend
Past participle - Verleden deelwoord: verzilverd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverzilver
jijverzilvert
hijverzilvert
wijverzilveren
jullieverzilveren
zijverzilveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verzilverd
jijhebt verzilverd
hijheeft verzilverd
wijhebben verzilverd
julliehebben verzilverd
zijhebben verzilverd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverzilverde
jijverzilverde
hijverzilverde
wijverzilverden
jullieverzilverden
zijverzilverden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verzilverd
jijhad verzilverd
hijhad verzilverd
wijhadden verzilverd
julliehadden verzilverd
zijhadden verzilverd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verzilveren
jijzult verzilveren
hijzal verzilveren
wijzullen verzilveren
julliezullen verzilveren
zijzullen verzilveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verzilverd hebben
jijzult verzilverd hebben
hijzal verzilverd hebben
wijzullen verzilverd hebben
julliezullen verzilverd hebben
zijzullen verzilverd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verzilveren
jijzou verzilveren
hijzou verzilveren
wijzouden verzilveren
julliezouden verzilveren
zijzouden verzilveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verzilverd hebben
jijzou verzilverd hebben
hijzou verzilverd hebben
wijzouden verzilverd hebben
julliezouden verzilverd hebben
zijzouden verzilverd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverzilver

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From zilver + ver- -en. Compare German versilbern. See: German, old spelling 'versilbern'.

Additional Information