Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: vertrouwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vertrouwend
Past participle - Verleden deelwoord: vertrouwd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | vertrouw |
| jij | vertrouwt |
| hij | vertrouwt |
| wij | vertrouwen |
| jullie | vertrouwen |
| zij | vertrouwen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb vertrouwd |
| jij | hebt vertrouwd |
| hij | heeft vertrouwd |
| wij | hebben vertrouwd |
| jullie | hebben vertrouwd |
| zij | hebben vertrouwd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | vertrouwde |
| jij | vertrouwde |
| hij | vertrouwde |
| wij | vertrouwden |
| jullie | vertrouwden |
| zij | vertrouwden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had vertrouwd |
| jij | had vertrouwd |
| hij | had vertrouwd |
| wij | hadden vertrouwd |
| jullie | hadden vertrouwd |
| zij | hadden vertrouwd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal vertrouwen |
| jij | zult vertrouwen |
| hij | zal vertrouwen |
| wij | zullen vertrouwen |
| jullie | zullen vertrouwen |
| zij | zullen vertrouwen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal vertrouwd hebben |
| jij | zult vertrouwd hebben |
| hij | zal vertrouwd hebben |
| wij | zullen vertrouwd hebben |
| jullie | zullen vertrouwd hebben |
| zij | zullen vertrouwd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou vertrouwen |
| jij | zou vertrouwen |
| hij | zou vertrouwen |
| wij | zouden vertrouwen |
| jullie | zouden vertrouwen |
| zij | zouden vertrouwen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou vertrouwd hebben |
| jij | zou vertrouwd hebben |
| hij | zou vertrouwd hebben |
| wij | zouden vertrouwd hebben |
| jullie | zouden vertrouwd hebben |
| zij | zouden vertrouwd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'vertrouwen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'vertrouwen'
hertrouwen,
verbouwen,
trouwen,
vergroten,
vernieuwen,
verroeren,
vertolken,
vertonen,
vertragen,
vertrekken,
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- bouwen
- rekenen
Sample Sentences
-
Ik zou dezen Moor wel hebben kunnen medenemen en den jongen over boord werpen, maar het was niet raadzaam geweest hem te vertrouwen. Toen hij weg was zeide ik tot den knaap, die Xury heette: " Zoo gij mij getrouw wilt blijven, Xury, zal ik een man van u maken, maar zoo gij niet bij Mahomed en zijn vaders baard mij trouw wilt [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] werkelijk in veiligheid Waren, toen zij zich verloren en hunne zaak wanhopig achtten. Zoo weinig kunnen wij in de wereld vooruitzien, en zooveel reden hebben wij om welgemoed van onzen Schepper te vertrouwen, dat hij zijne schepselen niet zoo geheel zal verlaten, maar dat zij in de ongelukkigste omstandigheden altijd stof tot dankbaarheid hebben, en somtijds nader bij hunne redding zijn dan zij zich [...]
(Robinson Crusoe)
-
De andere gevangenen werden beter behandeld; wel werden twee hunner geboeid, omdat de kapitein hen niet vertrouwde, maar de beide anderen in mijne dienst genomen op zijne aanbeveling, en hunne plegtige belofte van met ons te leven en te sterven, dus waren wij met hen zeven man sterk, en ik twijfelde niet of wij [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] eene was eene weduwe, en de andere had een echtgenoot, die zich jegens haar niet zoo gedroeg als hij wel mogt. Doch onder al mijne bekenden wist ik niemand te bedenken, wien ik al mijn geld durfde vertrouwen, zoodat ik naar Brazilië kon gaan, en alles gerust achterlaten. Dit bragt mij in groote verlegenheid.
(Robinson Crusoe)
-
[...] maar de onzekerheid wien ik mijne bezittingen zou toevertrouwen. Dus besloot ik die eerst naar Engeland te brengen, waar ik alsdan wel eenige kennissen zou weten of bloedverwanten vinden, die mij vertrouwd toeschenen; en diensvolgens maakte ik mij gereed met al mijn geld naar Engeland terug te gaan. Te dien einde besloot ik in de eerste plaats, daar de vloot naar Brazilië weder zeilree lag, op de [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch vertrouwen. Equivalent to trouw + ver- -en.
Verbs referencing "vertrouwen"
German, old spelling
vertrauen, Low Saxon vertroen, Afrikaans
vertrou, Swedish
förtro.
Additional Information