verpauperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verpauperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verpauperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verpauperend
Past participle - Verleden deelwoord: verpauperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverpauper
jijverpaupert
hijverpaupert
wijverpauperen
jullieverpauperen
zijverpauperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verpauperd
jijhebt verpauperd
hijheeft verpauperd
wijhebben verpauperd
julliehebben verpauperd
zijhebben verpauperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverpauperde
jijverpauperde
hijverpauperde
wijverpauperden
jullieverpauperden
zijverpauperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verpauperd
jijhad verpauperd
hijhad verpauperd
wijhadden verpauperd
julliehadden verpauperd
zijhadden verpauperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verpauperen
jijzult verpauperen
hijzal verpauperen
wijzullen verpauperen
julliezullen verpauperen
zijzullen verpauperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verpauperd hebben
jijzult verpauperd hebben
hijzal verpauperd hebben
wijzullen verpauperd hebben
julliezullen verpauperd hebben
zijzullen verpauperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verpauperen
jijzou verpauperen
hijzou verpauperen
wijzouden verpauperen
julliezouden verpauperen
zijzouden verpauperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verpauperd hebben
jijzou verpauperd hebben
hijzou verpauperd hebben
wijzouden verpauperd hebben
julliezouden verpauperd hebben
zijzouden verpauperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverpauper

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information