veroveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of veroveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: veroveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: veroverend
Past participle - Verleden deelwoord: veroverd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverover
jijverovert
hijverovert
wijveroveren
jullieveroveren
zijveroveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb veroverd
jijhebt veroverd
hijheeft veroverd
wijhebben veroverd
julliehebben veroverd
zijhebben veroverd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikveroverde
jijveroverde
hijveroverde
wijveroverden
jullieveroverden
zijveroverden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad veroverd
jijhad veroverd
hijhad veroverd
wijhadden veroverd
julliehadden veroverd
zijhadden veroverd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal veroveren
jijzult veroveren
hijzal veroveren
wijzullen veroveren
julliezullen veroveren
zijzullen veroveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal veroverd hebben
jijzult veroverd hebben
hijzal veroverd hebben
wijzullen veroverd hebben
julliezullen veroverd hebben
zijzullen veroverd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou veroveren
jijzou veroveren
hijzou veroveren
wijzouden veroveren
julliezouden veroveren
zijzouden veroveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou veroverd hebben
jijzou veroverd hebben
hijzou veroverd hebben
wijzouden veroverd hebben
julliezouden veroverd hebben
zijzouden veroverd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverover

Translations

  • conquer, defeat in combat
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bedwingen
    bemachtigen, bezetten, overmeesteren

    Sample Sentences

    Etymology

    From over + ver- -en.

    Additional Information