verlummelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verlummelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verlummelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verlummelend
Past participle - Verleden deelwoord: verlummeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverlummel
jijverlummelt
hijverlummelt
wijverlummelen
jullieverlummelen
zijverlummelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verlummeld
jijhebt verlummeld
hijheeft verlummeld
wijhebben verlummeld
julliehebben verlummeld
zijhebben verlummeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverlummelde
jijverlummelde
hijverlummelde
wijverlummelden
jullieverlummelden
zijverlummelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verlummeld
jijhad verlummeld
hijhad verlummeld
wijhadden verlummeld
julliehadden verlummeld
zijhadden verlummeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verlummelen
jijzult verlummelen
hijzal verlummelen
wijzullen verlummelen
julliezullen verlummelen
zijzullen verlummelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verlummeld hebben
jijzult verlummeld hebben
hijzal verlummeld hebben
wijzullen verlummeld hebben
julliezullen verlummeld hebben
zijzullen verlummeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verlummelen
jijzou verlummelen
hijzou verlummelen
wijzouden verlummelen
julliezouden verlummelen
zijzouden verlummelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verlummeld hebben
jijzou verlummeld hebben
hijzou verlummeld hebben
wijzouden verlummeld hebben
julliezouden verlummeld hebben
zijzouden verlummeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverlummel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From ver- + lummelen.

Additional Information