verklungelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verklungelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verklungelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verklungelend
Past participle - Verleden deelwoord: verklungeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverklungel
jijverklungelt
hijverklungelt
wijverklungelen
jullieverklungelen
zijverklungelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verklungeld
jijhebt verklungeld
hijheeft verklungeld
wijhebben verklungeld
julliehebben verklungeld
zijhebben verklungeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverklungelde
jijverklungelde
hijverklungelde
wijverklungelden
jullieverklungelden
zijverklungelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verklungeld
jijhad verklungeld
hijhad verklungeld
wijhadden verklungeld
julliehadden verklungeld
zijhadden verklungeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verklungelen
jijzult verklungelen
hijzal verklungelen
wijzullen verklungelen
julliezullen verklungelen
zijzullen verklungelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verklungeld hebben
jijzult verklungeld hebben
hijzal verklungeld hebben
wijzullen verklungeld hebben
julliezullen verklungeld hebben
zijzullen verklungeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verklungelen
jijzou verklungelen
hijzou verklungelen
wijzouden verklungelen
julliezouden verklungelen
zijzouden verklungelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verklungeld hebben
jijzou verklungeld hebben
hijzou verklungeld hebben
wijzouden verklungeld hebben
julliezouden verklungeld hebben
zijzouden verklungeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverklungel

Translations

  • blow, to squander
  • waste, to squander
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information