verbrokkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verbrokkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verbrokkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verbrokkelend
Past participle - Verleden deelwoord: verbrokkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverbrokkel
jijverbrokkelt
hijverbrokkelt
wijverbrokkelen
jullieverbrokkelen
zijverbrokkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verbrokkeld
jijhebt verbrokkeld
hijheeft verbrokkeld
wijhebben verbrokkeld
julliehebben verbrokkeld
zijhebben verbrokkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverbrokkelde
jijverbrokkelde
hijverbrokkelde
wijverbrokkelden
jullieverbrokkelden
zijverbrokkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verbrokkeld
jijhad verbrokkeld
hijhad verbrokkeld
wijhadden verbrokkeld
julliehadden verbrokkeld
zijhadden verbrokkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verbrokkelen
jijzult verbrokkelen
hijzal verbrokkelen
wijzullen verbrokkelen
julliezullen verbrokkelen
zijzullen verbrokkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verbrokkeld hebben
jijzult verbrokkeld hebben
hijzal verbrokkeld hebben
wijzullen verbrokkeld hebben
julliezullen verbrokkeld hebben
zijzullen verbrokkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verbrokkelen
jijzou verbrokkelen
hijzou verbrokkelen
wijzouden verbrokkelen
julliezouden verbrokkelen
zijzouden verbrokkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verbrokkeld hebben
jijzou verbrokkeld hebben
hijzou verbrokkeld hebben
wijzouden verbrokkeld hebben
julliezouden verbrokkeld hebben
zijzouden verbrokkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverbrokkel

Translations

  • crumble, to fall apart
  • shard, to fall apart
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information