valgen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of valgen

The word "valgen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: valgen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: valgend
Past participle - Verleden deelwoord: gevalgd

Cognates

See the 2 cognates of valgen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvalg
jijvalgt
hijvalgt
wijvalgen
jullievalgen
zijvalgen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevalgd
jijhebt gevalgd
hijheeft gevalgd
wijhebben gevalgd
julliehebben gevalgd
zijhebben gevalgd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvalgde
jijvalgde
hijvalgde
wijvalgden
jullievalgden
zijvalgden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevalgd
jijhad gevalgd
hijhad gevalgd
wijhadden gevalgd
julliehadden gevalgd
zijhadden gevalgd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal valgen
jijzult valgen
hijzal valgen
wijzullen valgen
julliezullen valgen
zijzullen valgen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevalgd hebben
jijzult gevalgd hebben
hijzal gevalgd hebben
wijzullen gevalgd hebben
julliezullen gevalgd hebben
zijzullen gevalgd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou valgen
jijzou valgen
hijzou valgen
wijzouden valgen
julliezouden valgen
zijzouden valgen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevalgd hebben
jijzou gevalgd hebben
hijzou gevalgd hebben
wijzouden gevalgd hebben
julliezouden gevalgd hebben
zijzouden gevalgd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvalg

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "valgen"

English fallow.

Additional Information