Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: uitstaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitstaand
Past participle - Verleden deelwoord: uitgestaan
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | sta uit |
| jij | staat uit |
| hij | staat uit |
| wij | staan uit |
| jullie | staan uit |
| zij | staan uit |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb uitgestaan |
| jij | hebt uitgestaan |
| hij | heeft uitgestaan |
| wij | hebben uitgestaan |
| jullie | hebben uitgestaan |
| zij | hebben uitgestaan |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | stond uit |
| jij | stond uit |
| hij | stond uit |
| wij | stonden uit |
| jullie | stonden uit |
| zij | stonden uit |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had uitgestaan |
| jij | had uitgestaan |
| hij | had uitgestaan |
| wij | hadden uitgestaan |
| jullie | hadden uitgestaan |
| zij | hadden uitgestaan |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal uitstaan |
| jij | zult uitstaan |
| hij | zal uitstaan |
| wij | zullen uitstaan |
| jullie | zullen uitstaan |
| zij | zullen uitstaan |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal uitgestaan hebben |
| jij | zult uitgestaan hebben |
| hij | zal uitgestaan hebben |
| wij | zullen uitgestaan hebben |
| jullie | zullen uitgestaan hebben |
| zij | zullen uitgestaan hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou uitstaan |
| jij | zou uitstaan |
| hij | zou uitstaan |
| wij | zouden uitstaan |
| jullie | zouden uitstaan |
| zij | zouden uitstaan |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou uitgestaan hebben |
| jij | zou uitgestaan hebben |
| hij | zou uitgestaan hebben |
| wij | zouden uitgestaan hebben |
| jullie | zouden uitgestaan hebben |
| zij | zouden uitgestaan hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'uitstaan'
aanstaan,
achterstaan,
afstaan,
bestaan,
bijstaan,
doorstaan,
gelijkstaan,
instaan,
ontstaan,
openstaan,
opstaan,
staan,
stilstaan,
terechtstaan,
toestaan,
uitstaan,
vaststaan,
verstaan,
vrijstaan,
weerstaan, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'uitstaan'
bijstaan,
instaan,
ontstaan,
uitgaan,
aanstaan,
afstaan,
bestaan,
inslaan,
ontslaan,
opstaan,
Translations
stand, to tolerate
Sample Sentences
-
Men kan zich ligt voorstellen in welken toestand ik was, terwijl dit alles voorviel; ik, pas op zee gekomen, en die zoo kort geleden zoo veel angst had uitgestaan. Doch, bijaldien ik na een zoo lang tijdverloop, de denkbeelden, die mij toen bezig hielden, mij nog kan te binnen brengen, dunkt mij, dat mijn vorig berouw en de verstoktheid, waarmede ik dit had [...]
(Robinson Crusoe)
-
13 November. Dezen dag regende het, hetgeen mij zeer verfrischte, en de aarde verkoelde; maar de regen ging met een verschrikkelijk onweder gepaard, hetgeen mij voor mijn kruid veel angst deed uitstaan. Zoodra dat voorbij was, besloot ik al mijn kruid in kleine gedeelten te bergen, opdat het geen gevaar zou loopen.
(Robinson Crusoe)
-
21 Junij. Zeer ziek, en doodsangst uitstaande over mijn jammerlijken toestand, ziek te zijn zonder hulp. Ik bad tot God de eerste maal sedert den storm voor Hull; maar wist naauwelijks wat ik zeide, daar mijne denkbeelden geheel verward waren.
(Robinson Crusoe)
-
Dit herinnerde mij hoe ik voor de eerste maal aan land kwam en in het rond zag; hoe ik mij verloren achtte, hoe ik verwilderd in het rond staarde, welken schrikkelijken angst ik uitstond, en hoe ik, uit vrees voor wilde dieren, den geheelen nacht op een boom doorbragt. Even als ik dien nacht niets wist van den onderstand, dien ik ontvangen zou, doordien wind en tij het schip digter [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] niets kunnen mededeelen, dan hetgeen anderen beter vóór mij gedaan hebben. Ik reisde van Toulouse naar Parijs en kwam kort daarop te Calais en landde veilig te Dover den 14 Januarij, na veel koude uitgestaan te hebben.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From uit (“out”) + staan (“to stand”). Compare German ausstehen. See: German, old spelling '
ausstehen'.
Verbs referencing "uitstaan"
English
outstand, German, old spelling
ausstehen, Frisian, Saterlandic uutstounde.
Additional Information