uitspreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitspreken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitspreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitsprekend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgesproken

Cognates

See the 2 cognates of uitspreken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspreek uit
jijspreekt uit
hijspreekt uit
wijspreken uit
julliespreken uit
zijspreken uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgesproken
jijhebt uitgesproken
hijheeft uitgesproken
wijhebben uitgesproken
julliehebben uitgesproken
zijhebben uitgesproken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksprak uit
jijsprak uit
hijsprak uit
wijspraken uit
julliespraken uit
zijspraken uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgesproken
jijhad uitgesproken
hijhad uitgesproken
wijhadden uitgesproken
julliehadden uitgesproken
zijhadden uitgesproken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitspreken
jijzult uitspreken
hijzal uitspreken
wijzullen uitspreken
julliezullen uitspreken
zijzullen uitspreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgesproken hebben
jijzult uitgesproken hebben
hijzal uitgesproken hebben
wijzullen uitgesproken hebben
julliezullen uitgesproken hebben
zijzullen uitgesproken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitspreken
jijzou uitspreken
hijzou uitspreken
wijzouden uitspreken
julliezouden uitspreken
zijzouden uitspreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgesproken hebben
jijzou uitgesproken hebben
hijzou uitgesproken hebben
wijzouden uitgesproken hebben
julliezouden uitgesproken hebben
zijzouden uitgesproken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspreek uit

Translations

  • announce, declare by judicial sentence
  • articulate, to speak clearly
  • cast, to perform, bring forth a magical spell or enchantment
  • pronounce, to declare officially
  • pronounce, to declare authoritatively or as formal opinion
  • pronounce, to sound out (a word or phrase); to articulate
  • pronounce, to read aloud
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opzeggen
    uiten, verwoorden
    bekendmaken
    voorlezen
    bediscussiëren
    bespreken, uitpraten

    Antonyms

    bekendmaken
    verzwijgen

    Sample Sentences

    • [...] als het regende en ik niet kon uitgaan, altijd bezigheid genoeg, en onder het werk vermaakte ik mij met tot mijn papegaai te praten en hem te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: Koo, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] mijn papegaai te praten en hem te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: Koo, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk dat ik voor mij had. Ik had namelijk lang gepeinsd hoe ik op de eene of andere wijze aarden potten zou kunnen [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From uit + spreken.

    Verbs referencing "uitspreken"

    English outspeak.

    Additional Information