troetelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of troetelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: troetelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: troetelend
Past participle - Verleden deelwoord: getroeteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktroetel
jijtroetelt
hijtroetelt
wijtroetelen
jullietroetelen
zijtroetelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getroeteld
jijhebt getroeteld
hijheeft getroeteld
wijhebben getroeteld
julliehebben getroeteld
zijhebben getroeteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktroetelde
jijtroetelde
hijtroetelde
wijtroetelden
jullietroetelden
zijtroetelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getroeteld
jijhad getroeteld
hijhad getroeteld
wijhadden getroeteld
julliehadden getroeteld
zijhadden getroeteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal troetelen
jijzult troetelen
hijzal troetelen
wijzullen troetelen
julliezullen troetelen
zijzullen troetelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getroeteld hebben
jijzult getroeteld hebben
hijzal getroeteld hebben
wijzullen getroeteld hebben
julliezullen getroeteld hebben
zijzullen getroeteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou troetelen
jijzou troetelen
hijzou troetelen
wijzouden troetelen
julliezouden troetelen
zijzouden troetelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getroeteld hebben
jijzou getroeteld hebben
hijzou getroeteld hebben
wijzouden getroeteld hebben
julliezouden getroeteld hebben
zijzouden getroeteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtroetel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

knuffelen
liefkozen
koesteren
vertroetelen, verwennen

Sample Sentences

  • [...] bragt, en hij ging in de kanoe zitten; maar toen Vrijdag hem hoorde spreken en hem in het gelaat zag, zou het iedereen tot tranen bewogen hebben, die gezien had hoe Vrijdag hem kuste, omhelsde en troetelde, hoe hij schreeuwde, lachte, juichte, sprong, danste, zong, dan weder schreeuwde, de handen wrong, zich op het gelaat en de borst sloeg, en dan weder als een razende danste en sprong. Het duurde [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

First attested in 1515. Frequentative in -elen to an otherwise unattested verb *troeten which, given its initial t- (reflecting the High German consonant shift), is taken to be derived from Middle High German triuten. Ultimately a verbal formation based on Proto-Germanic *drūdaz (“dear, beloved”), an adjective attested in Middle High German trūt (German traut), Old Dutch drūt, Old English drūt and further afield also in Medieval Latin drūdus (Italian drudo), which represents an early borrowing from Germanic. See: Middle High German 'triuten'.

Additional Information