strompelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of strompelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: strompelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: strompelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestrompeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstrompel
jijstrompelt
hijstrompelt
wijstrompelen
julliestrompelen
zijstrompelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestrompeld
jijhebt gestrompeld
hijheeft gestrompeld
wijhebben gestrompeld
julliehebben gestrompeld
zijhebben gestrompeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstrompelde
jijstrompelde
hijstrompelde
wijstrompelden
julliestrompelden
zijstrompelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestrompeld
jijhad gestrompeld
hijhad gestrompeld
wijhadden gestrompeld
julliehadden gestrompeld
zijhadden gestrompeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal strompelen
jijzult strompelen
hijzal strompelen
wijzullen strompelen
julliezullen strompelen
zijzullen strompelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestrompeld hebben
jijzult gestrompeld hebben
hijzal gestrompeld hebben
wijzullen gestrompeld hebben
julliezullen gestrompeld hebben
zijzullen gestrompeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou strompelen
jijzou strompelen
hijzou strompelen
wijzouden strompelen
julliezouden strompelen
zijzouden strompelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestrompeld hebben
jijzou gestrompeld hebben
hijzou gestrompeld hebben
wijzouden gestrompeld hebben
julliezouden gestrompeld hebben
zijzouden gestrompeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstrompel

Translations

  • stumble, to trip or fall
  • totter, move or stand unsteadily
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    schuifelen
    wankelen, struikelen

    Sample Sentences

    • [...] waarop ik zat, in de hut. De matrozen echter riepen mij en zeiden, dat schoon ik tot hiertoe tot niets nut was geweest, ik thans even zeer in staat was te pompen als een ander. Ik stond dadelijk op, strompelde naar de pomp en ging ijverig aan het werk. Terwijl dit gebeurde, zag de kapitein eenige ligte kolenschepen, die niet in staat zijnde den storm uit te rijden, hunne ankers hadden laten glippen en [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch strompelen. Related with German strampeln. See: German, old spelling 'strampeln'.

    Verbs referencing "strompelen"

    German, old spelling strampeln.

    Additional Information