striemen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of striemen

The word "striemen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: striemen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: striemend
Past participle - Verleden deelwoord: gestriemd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstriem
jijstriemt
hijstriemt
wijstriemen
julliestriemen
zijstriemen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestriemd
jijhebt gestriemd
hijheeft gestriemd
wijhebben gestriemd
julliehebben gestriemd
zijhebben gestriemd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstriemde
jijstriemde
hijstriemde
wijstriemden
julliestriemden
zijstriemden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestriemd
jijhad gestriemd
hijhad gestriemd
wijhadden gestriemd
julliehadden gestriemd
zijhadden gestriemd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal striemen
jijzult striemen
hijzal striemen
wijzullen striemen
julliezullen striemen
zijzullen striemen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestriemd hebben
jijzult gestriemd hebben
hijzal gestriemd hebben
wijzullen gestriemd hebben
julliezullen gestriemd hebben
zijzullen gestriemd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou striemen
jijzou striemen
hijzou striemen
wijzouden striemen
julliezouden striemen
zijzouden striemen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestriemd hebben
jijzou gestriemd hebben
hijzou gestriemd hebben
wijzouden gestriemd hebben
julliezouden gestriemd hebben
zijzouden gestriemd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstriem

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Ultimately related to Proto-West Germanic *strālu (“arrow”).

Additional Information