Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: stapelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stapelend
Past participle - Verleden deelwoord: gestapeld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | stapel |
| jij | stapelt |
| hij | stapelt |
| wij | stapelen |
| jullie | stapelen |
| zij | stapelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gestapeld |
| jij | hebt gestapeld |
| hij | heeft gestapeld |
| wij | hebben gestapeld |
| jullie | hebben gestapeld |
| zij | hebben gestapeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | stapelde |
| jij | stapelde |
| hij | stapelde |
| wij | stapelden |
| jullie | stapelden |
| zij | stapelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gestapeld |
| jij | had gestapeld |
| hij | had gestapeld |
| wij | hadden gestapeld |
| jullie | hadden gestapeld |
| zij | hadden gestapeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal stapelen |
| jij | zult stapelen |
| hij | zal stapelen |
| wij | zullen stapelen |
| jullie | zullen stapelen |
| zij | zullen stapelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gestapeld hebben |
| jij | zult gestapeld hebben |
| hij | zal gestapeld hebben |
| wij | zullen gestapeld hebben |
| jullie | zullen gestapeld hebben |
| zij | zullen gestapeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou stapelen |
| jij | zou stapelen |
| hij | zou stapelen |
| wij | zouden stapelen |
| jullie | zouden stapelen |
| zij | zouden stapelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gestapeld hebben |
| jij | zou gestapeld hebben |
| hij | zou gestapeld hebben |
| wij | zouden gestapeld hebben |
| jullie | zouden gestapeld hebben |
| zij | zouden gestapeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'stapelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'stapelen'
stakelen,
stamelen,
afstapelen,
opstapelen,
sappelen,
siepelen,
sijpelen,
spelen,
staffelen,
stappen,
Translations
nest, to successively place inside another
stack, To place objects or material in the form of a stack
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- ophopen
- tassen
Sample Sentences
-
[...] de zeilen, en eenige staken, die ik daarvoor gekapt had, eene kleine tent te maken, en in deze tent bragt ik alles wat ik wist, dat door regen of zon bederven kon, en al de ledige kisten en vaten stapelde ik in een kring rondom de tent, om die te versterken tegen eenigen onverhoedschen aanval van menschen of beesten. Toen ik dit gedaan had, sloot ik den ingang der tent met eenige planken van binnen, [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] om hulp te vragen. Ik had tegenwoordigheid van geest genoeg, om te begrijpen, dat zoo ik hen niet kon helpen, zij dit mij konden doen; dus haalde ik al het drooge hout bijeen, dat ik vinden kon, stapelde het op een hoop en stak het in brand. Het hout was droog en brandde fel op, en hoe hard het ook woei, brandde het geheel op, zoodat als er een schip was, men het daar zien moest. Ongetwijfeld was [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch stapelen, borrowed from Middle Low German stapelen, related to the noun stapel, from Old Saxon stapol (“basis, pillar, foundation”).
Additional Information