spijbelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spijbelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spijbelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spijbelend
Past participle - Verleden deelwoord: gespijbeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspijbel
jijspijbelt
hijspijbelt
wijspijbelen
julliespijbelen
zijspijbelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespijbeld
jijhebt gespijbeld
hijheeft gespijbeld
wijhebben gespijbeld
julliehebben gespijbeld
zijhebben gespijbeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspijbelde
jijspijbelde
hijspijbelde
wijspijbelden
julliespijbelden
zijspijbelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespijbeld
jijhad gespijbeld
hijhad gespijbeld
wijhadden gespijbeld
julliehadden gespijbeld
zijhadden gespijbeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spijbelen
jijzult spijbelen
hijzal spijbelen
wijzullen spijbelen
julliezullen spijbelen
zijzullen spijbelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespijbeld hebben
jijzult gespijbeld hebben
hijzal gespijbeld hebben
wijzullen gespijbeld hebben
julliezullen gespijbeld hebben
zijzullen gespijbeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spijbelen
jijzou spijbelen
hijzou spijbelen
wijzouden spijbelen
julliezouden spijbelen
zijzouden spijbelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespijbeld hebben
jijzou gespijbeld hebben
hijzou gespijbeld hebben
wijzouden gespijbeld hebben
julliezouden gespijbeld hebben
zijzouden gespijbeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspijbel

Translations

  • cut, colloquial, not to attend a class
  • wag, to not go to school
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Uncertain. Probably related to spybeler (“vagrant”).

    Additional Information