speuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of speuren

The word "speuren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: speuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: speurend
Past participle - Verleden deelwoord: gespeurd

Cognates

See the 2 cognates of speuren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspeur
jijspeurt
hijspeurt
wijspeuren
julliespeuren
zijspeuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespeurd
jijhebt gespeurd
hijheeft gespeurd
wijhebben gespeurd
julliehebben gespeurd
zijhebben gespeurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspeurde
jijspeurde
hijspeurde
wijspeurden
julliespeurden
zijspeurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespeurd
jijhad gespeurd
hijhad gespeurd
wijhadden gespeurd
julliehadden gespeurd
zijhadden gespeurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal speuren
jijzult speuren
hijzal speuren
wijzullen speuren
julliezullen speuren
zijzullen speuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespeurd hebben
jijzult gespeurd hebben
hijzal gespeurd hebben
wijzullen gespeurd hebben
julliezullen gespeurd hebben
zijzullen gespeurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou speuren
jijzou speuren
hijzou speuren
wijzouden speuren
julliezouden speuren
zijzouden speuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespeurd hebben
jijzou gespeurd hebben
hijzou gespeurd hebben
wijzouden gespeurd hebben
julliezouden gespeurd hebben
zijzouden gespeurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspeur

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch spueren, sporen, from Old Dutch *spurien, from Proto-Germanic *spurjaną. See: Proto-Germanic '*spurjaną'.

Verbs referencing "speuren"

Danish spørge, Swedish spörja, Luxembourgish spieren.

Additional Information