siepelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of siepelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: siepelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: siepelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesiepeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksiepel
jijsiepelt
hijsiepelt
wijsiepelen
julliesiepelen
zijsiepelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesiepeld
jijhebt gesiepeld
hijheeft gesiepeld
wijhebben gesiepeld
julliehebben gesiepeld
zijhebben gesiepeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksiepelde
jijsiepelde
hijsiepelde
wijsiepelden
julliesiepelden
zijsiepelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesiepeld
jijhad gesiepeld
hijhad gesiepeld
wijhadden gesiepeld
julliehadden gesiepeld
zijhadden gesiepeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal siepelen
jijzult siepelen
hijzal siepelen
wijzullen siepelen
julliezullen siepelen
zijzullen siepelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesiepeld hebben
jijzult gesiepeld hebben
hijzal gesiepeld hebben
wijzullen gesiepeld hebben
julliezullen gesiepeld hebben
zijzullen gesiepeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou siepelen
jijzou siepelen
hijzou siepelen
wijzouden siepelen
julliezouden siepelen
zijzouden siepelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesiepeld hebben
jijzou gesiepeld hebben
hijzou gesiepeld hebben
wijzouden gesiepeld hebben
julliezouden gesiepeld hebben
zijzouden gesiepeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsiepel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information