Infinitive - Onbepaalde wijs: schouderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schouderend
Past participle - Verleden deelwoord: geschouderd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | schouder |
| jij | schoudert |
| hij | schoudert |
| wij | schouderen |
| jullie | schouderen |
| zij | schouderen |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geschouderd |
| jij | hebt geschouderd |
| hij | heeft geschouderd |
| wij | hebben geschouderd |
| jullie | hebben geschouderd |
| zij | hebben geschouderd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | schouderde |
| jij | schouderde |
| hij | schouderde |
| wij | schouderden |
| jullie | schouderden |
| zij | schouderden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geschouderd |
| jij | had geschouderd |
| hij | had geschouderd |
| wij | hadden geschouderd |
| jullie | hadden geschouderd |
| zij | hadden geschouderd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal schouderen |
| jij | zult schouderen |
| hij | zal schouderen |
| wij | zullen schouderen |
| jullie | zullen schouderen |
| zij | zullen schouderen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geschouderd hebben |
| jij | zult geschouderd hebben |
| hij | zal geschouderd hebben |
| wij | zullen geschouderd hebben |
| jullie | zullen geschouderd hebben |
| zij | zullen geschouderd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou schouderen |
| jij | zou schouderen |
| hij | zou schouderen |
| wij | zouden schouderen |
| jullie | zouden schouderen |
| zij | zouden schouderen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geschouderd hebben |
| jij | zou geschouderd hebben |
| hij | zou geschouderd hebben |
| wij | zouden geschouderd hebben |
| jullie | zouden geschouderd hebben |
| zij | zouden geschouderd hebben |
| jij | schouder |