sappelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sappelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sappelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sappelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesappeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksappel
jijsappelt
hijsappelt
wijsappelen
julliesappelen
zijsappelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesappeld
jijhebt gesappeld
hijheeft gesappeld
wijhebben gesappeld
julliehebben gesappeld
zijhebben gesappeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksappelde
jijsappelde
hijsappelde
wijsappelden
julliesappelden
zijsappelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesappeld
jijhad gesappeld
hijhad gesappeld
wijhadden gesappeld
julliehadden gesappeld
zijhadden gesappeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sappelen
jijzult sappelen
hijzal sappelen
wijzullen sappelen
julliezullen sappelen
zijzullen sappelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesappeld hebben
jijzult gesappeld hebben
hijzal gesappeld hebben
wijzullen gesappeld hebben
julliezullen gesappeld hebben
zijzullen gesappeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sappelen
jijzou sappelen
hijzou sappelen
wijzouden sappelen
julliezouden sappelen
zijzouden sappelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesappeld hebben
jijzou gesappeld hebben
hijzou gesappeld hebben
wijzouden gesappeld hebben
julliezouden gesappeld hebben
zijzouden gesappeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsappel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • moeten sappelen om rond te komen (to have a hard time making a living)

Etymology

Additional Information